Een wederzijdse verstikking me gas

Igor Torbakov
NRC Handelsblad

De belangrijkste oorzaak van de gasruzie tussen Rusland en Oekraïne is de postkoloniale verhouding. Maar er speelt nog veel meer. De oplossing zal veel tijd vergen, meent


Het is nu wel duidelijk dat er geen snelle oplossing is voor het aardgasdebacle dat Europa getroffen heeft en dat het gevolg is van het venijnige conflict tussen Rusland en Oekraïne. Achter het praktisch onontwarbare dispuut over schulden, gasprijzen en doorvoervoorwaarden schuilt een complexe postimperiale situatie, waarin Rusland en Oekraïne gevangen zitten. Zolang de politieke betrekkingen tussen Moskou en Kiev niet op orde zijn, zullen naar verwachting dit soort energiecrises Europa blijven plagen.


De val van de Sovjetunie in 1991 heeft Rusland en Oekraïne opgezadeld met een zeer complexe erfenis. Ook nu, bijna twee decennia later, zijn de politieke en economische belangen van de twee landen, maar ook de belangen van de machtige Russische en Oekraïense clans, nog zeer nauw met elkaar vervlochten. De huidige ‘gascrisis’ heeft derhalve verscheidene dimensies.


Deze gasruzie heeft, als alle voorgaande, een structurele grondslag: de verdeling van bezittingen is zeer asymmetrisch. Het vroegere industriële gas-en-oliecomplex van de Sovjet-Unie was een sterk gecentraliseerde onderneming, waarin productie, transport en distributie van de brandstoffen geïntegreerd waren. Na de ontbinding van de Sovjet-Unie kreeg Rusland – en kregen enkele Centraal-Aziatische landen – de voornaamste gasvelden, en Oekraïne de hoofdmoot van de gastransportinfrastructuur, de sleutel tot het transport van de brandstof naar de lucratieve Europese markt.


Het gastransport naar Europa valt dus onder een tweeledig monopolie: Rusland beheert met een ‘kraanmonopolie’ de hoeveelheid gas, en Oekraïne met een ‘doorvoermonopolie’ de pijpleidingen. In theorie veronderstelt een tweeledig monopolie een hoge mate van onderlinge afhankelijkheid: geen van beide partijen kan de ander zijn wil opleggen of werkelijk de overhand krijgen.


Maar de economen zijn het er al lang over eens dat de situatie van het tweeledige monopolie precair is en potentieel zeer instabiel. De twee partijen lijken voorbestemd tot samenwerking, want er is gewoon geen alternatief. Anderzijds zal men het nooit eens worden over de verdeling van de baten van de samenwerking. Als beide partijen zoveel mogelijk winst proberen te behalen – voor een commerciële onderneming heel normaal – blijft het sluiten en naleven van contracten steeds precair. En dat is precies wat de energiebetrekkingen tussen Rusland en Oekraïne hebben laten zien, niet pas sinds de ‘gasoorlog’ van 2006, maar al sinds 1992.


De huidige impasse was waarschijnlijk niet te vermijden, maar de ernst van deze crisis valt te verklaren uit het feit dat ditmaal zowel Moskou als Kiev lijkt te handelen uit pure vertwijfeling. De oorzaak is de wereldwijde economische crisis. Het reusachtige Russische staatsenergiemonopolie Gazprom volgt nerveus de sterk dalende goederenprijzen. De bazen van de onderneming weten heel goed dat in ongeveer een half jaar de gasprijzen naar verwachting zullen dalen van de huidige 480 dollar naar slechts 280 dollar per 1000 kubieke meter. Anderzijds behoort Oekraïne tot de landen die het hardst getroffen zijn door de mondiale economische collaps. De Oekraïense munt bevindt zich in een vrije val, terwijl de chemische en de staalindustrie – hét bastion van de Oekraïense economie – door de drastische daling van de vraag vrijwel is stilgevallen.


Nu de zaken zo staan, probeert Gazprom de gasprijs op te voeren om Oekraïne nog zoveel mogelijk geld uit de zak te kloppen, terwijl Naftogaz, de Oekraïense tegenhanger van Gazprom, niet lijkt te kunnen betalen. Maar onder het ‘tweeledige monopolie’ leidt de onenigheid over de prijs onvermijdelijk tot een patstelling: de ene partij snijdt het gas af en de andere sluit de doorvoerleiding. Dat is al vele malen gebeurd, maar nu lijken Moskou en Kiev zich helemaal te hebben overgegeven aan een ‘dodelijke omstrengeling’.


De uitgesproken felheid van deze worsteling brengt ons bij de tweede laag van de huidige crisis: de politiek. De relatie tussen Rusland en Oekraïne bevindt zich nog altijd in de pijnlijke fase van een postimperiale heroriëntatie. Het Kremlin beschouwt Oekraïne als een regio van groot strategisch belang, waar Moskou, in de woorden van president Dmitri Medvedev, ,,geprivilegieerde belangen’’ bezit. De vraag naar de geopolitieke loyaliteit van de Oekraïne is voor de strategen in het Kremlin van het grootste gewicht. Maar sedert de politieke beroering in Kiev in 2004 – de zogenaamde ‘oranje revolutie’ – geldt de westers gezinde koers van de Oekraïense leiders, die het land willen integreren in de Euro-Atlantische organen, in Moskou (vooral nu de geopolitieke rivaliteit met het Westen sterker lijkt te worden) als onverenigbaar met de Russische ‘nationale belangen’.


De gashandel is een van de voornaamste middelen waarvan Rusland zich bedient om zijn greep op de Oekraïense leiders te vergroten en zo de politieke koers van het land te beïnvloeden. Het Kremlin, dat zich zeer goed bewust is van zijn reusachtige financiële verliezen – iedere dag zonder gastransport kost ongeveer 200 miljoen dollar –, lijkt verbeten vooral drie doeleinden na te streven.


Ten eerste probeert Moskou de bittere verdeeldheid in het ‘oranje’ kamp tussen president Viktor Joesjtsjenko en premier Joelia Timosjenko – mede over de vraag welke strategie moet worden gevolgd met betrekking tot de Russisch-Oekraïense energierelatie – te benutten om de pro-westerse Oekraïense leiders ten val te brengen en in Kiev politici aan de macht te brengen die meer oog hebben voor de strategische belangen van Rusland.


Ten tweede probeert Rusland, door te profiteren van de ogenschijnlijke insolventie van Oekraïne, greep te krijgen op het waardevolste bezit van dat land: de infrastructuur voor energietransport. Als Rusland daarvan een fors deel zou kunnen bemachtigen – hetzij door (in het geval dat het Oekraïense gasdoorvoernetwerk, dat nu staatsbezit is, in de toekomst wordt geprivatiseerd) aandelen op te kopen, hetzij door het langdurig te leasen, dan wel door deelname aan het internationale consortium dat zou worden opgezet om het netwerk te beheren (al deze suggesties zijn door Moskou al eens naar voren gebracht) – dan zou het Kiev zijn ‘doorvoermonopolie’ afhandig kunnen maken, en daarmee een groot deel van zijn invloed op Rusland.


Het derde doel van de Russische ‘gasmanoeuvres’ is Oekraïne als een volstrekt onwaardige partner voor Europa en een hoogst onbetrouwbaar doorvoerland af te schilderen. De strategen in het Kremlin menen dat dit de vooruitzichten van alternatieve doorvoerroutes – zoals de Nordstream-pijpleiding en de Southstream-pijp, die speciaal zijn opgezet om Oekraïne buitenspel te zetten – ten goede zal komen. Is de wurggreep van Kiev op de doorvoer eenmaal gebroken, dan zal Oekraïne zowel economisch als politiek overgeleverd zijn aan het Kremlin.


Oekraïne lijkt op zijn beurt, gezien de treurige ontreddering onder zijn politieke elite, in de huidige crisis geen coherente strategie te hebben. Kiev lijkt eenvoudigweg te willen bewijzen dat onder het ‘tweeledige monopolie’ de partij die formeel eigenaar is van het product (het gas) niet de overhand kan krijgen op de partij die het transport in haar greep heeft. De Oekraïners lijken aan te sturen op een bankroet van het Russische Gazprom – met rampzalige gevolgen voor het imago van Rusland als betrouwbare energieleverancier – in de hoop dat de groeiende verliezen door de gederfde inkomsten het Kremlin zullen doen bijdraaien.


Maar het treurige Russisch-Oekraïense gasepos heeft nog een derde laag: de corruptie. Sedert jaren wordt de gashandel tussen Rusland en Oekraïne, die miljarden waard is, uitgevoerd door schimmige bemiddelaars, waarvan de beruchte, in Zwitserland gevestigde RosUkrEnergo alleen maar de jongste belichaming is. De corruptie in de gaswereld heeft haar eigen tweeledige functie.


In de eerste plaats helpt ze de hoge energiefunctionarissen binnen Gazprom en Naftogaz hun respectieve ondernemingen op grote schaal ten eigen bate geld afhandig te maken.


Ten tweede voedt de corruptie de geheime smeerfondsen waarmee de Oekraïense binnenlandse politiek wordt gemanipuleerd. Zonder twijfel speelt de krachtmeting over de zeggenschap over die duistere onderneming, die ogenschijnlijk zonder goede reden in het hart van de Russisch-Oekraïense energiebetrekkingen staat, in de huidige impasse geen geringe rol.


Uiteindelijk komt het erop neer dat de Europese partners van Rusland en Oekraïne in grote moeilijkheden zitten. Zelfs als de afgevaardigden van Europa erin zouden slagen Moskou en Kiev te dwingen de gastoevoer naar Europa weer op gang te brengen, is daarmee een permanente oplossing voor het probleem van de gasvoorziening via Oekraïne nog niet in zicht.


De Europese Unie kan pas op een vlotte aanvoer van energie rekenen wanneer Rusland en Oekraïne hun betrekkingen volledig genormaliseerd hebben en het gastransport volkomen los staat van de geopolitiek. Anders gezegd: wanneer de postimperiale situatie heeft plaatsgemaakt voor een betrekking tussen twee democratisch bestuurde, bevriende buurlanden.